Add parallel Print Page Options

God geeft een nieuwe toekomst onder een nieuwe Koning

11 Jesaja zegt: Maar net zoals er uit de stronk van een omgehakte boom weer een jong takje[a] begint te groeien en vruchten krijgt, zal er een Zoon geboren worden uit de familie van Isaï (de vader van koning David). De Geest van de Heer zal op Hem zijn. Hij zal vol zijn van de Geest van wijsheid, de Geest van verstand, de Geest van raad, de Geest van sterkte, de Geest van kennis van God en de Geest van ontzag voor God. Hij zal diep ontzag voor God hebben en daarvan genieten. Hij zal niet oordelen op grond van wat Hij ziet of van anderen hoort. Hij zal rechtvaardig zijn voor arme en bescheiden mensen. Maar voor de mensen die zich niets van God aantrekken, zal zijn oordeel zijn als een zweepslag. Hij zal hem die zich niets van hem aantrekt, zonder moeite doden. Hij blaast hem weg. Want Hij zal altijd rechtvaardig en eerlijk zijn.

Dan zullen wolven en schapen bij elkaar leven. Panters en geitjes zullen samen liggen rusten. Kalveren en jonge leeuwen groeien samen op. Een kleine jongen zal ze hoeden. Koeien en beren zullen samen gras eten. Hun jongen zullen samen spelen. Leeuwen zullen net als koeien hooi eten. Baby's zullen spelen bij het hol van een adder. Kleuters zullen giftige slangen uit hun nest pakken. Niemand zal een ander nog kwaad doen op Gods heilige berg. Want op de hele aarde zal iedereen de Heer kennen. Zoals de zee vol is van water, zo zullen de mensen vol zijn van de Heer. 10 Want in die tijd zullen alle volken van de aarde naar de stronk van Isaï gaan, naar de jonge tak die daaruit groeide, de Zoon van David. Hij zal zijn als een vlag op een heuvel, die al van ver te zien is. Iedereen zal naar Hem toe gaan. En de plaats waar Hij woont zal vol zijn van zijn schitterende macht en majesteit.

De Heer zal zijn volk Israël redden

11 In die tijd zal de Heer opnieuw zijn volk redden. Hij zal het overblijfsel van zijn volk verzamelen uit Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamat en de landen langs de kust. 12 Hij zal een vlag neerzetten bij de volken, zodat iedereen kan zien waar hij naartoe moet gaan. De mensen waren uit Israël en Juda weggejaagd en woonden overal verspreid. Maar Hij zal hen uit alle windrichtingen verzamelen. 13 Dan zullen de bewoners van Israël niet langer jaloers zijn op de bewoners van Juda. De vijanden van Juda zullen vernietigd worden. En Juda zal Israël niet meer aanvallen. Ze zullen niet langer met elkaar oorlog voeren. 14 Samen zullen ze de Filistijnen in het westen aanvallen. Samen zullen ze de volken van het oosten beroven. Samen zullen ze Edom en Moab aanvallen en verslaan. Samen zullen ze de Ammonieten overwinnen zodat die hen moeten dienen.

15 Dan zal de Heer een weg banen zoals vroeger door de Rietzee bij Egypte. En Hij zal met zijn adem het water van de Eufraat wegblazen.[b] Hij zal de machtige Eufraat uit elkaar slaan tot zeven kleine stroompjes die je te voet kan oversteken. 16 Dan zal de weg naar huis openliggen voor het overblijfsel van zijn volk dat nog in Assur was overgebleven. Net zoals de weg open lag voor het volk Israël toen het uit Egypte vertrok.[c]

Footnotes

  1. Jesaja 11:1 Zelfs een boomstronk kan nog uitspruiten, ook al lijkt het dat er geen leven meer in zit. Met de 'jonge tak' wordt daarom een nieuw begin bedoeld. Op de meeste plaatsen in de bijbel wordt hiermee Jezus bedoeld.
  2. Jesaja 11:15 Jesaja bedoelde dat het volk van Juda eerst als gevangenen aan de andere kant van de Eufraat zou komen te wonen, maar dat de Heer hen op een dag ook weer naar hun eigen land zal terugbrengen.
  3. Jesaja 11:16 Toen Mozes zijn staf uitstrekte over de Rietzee, spleet God het water en konden de Israëlieten over het droge oversteken. Lees Exodus 14:21 en 22.

The Righteous Reign of the Branch

11 There shall come forth a shoot from the stump of (A)Jesse,
    and a branch from his roots shall bear fruit.
And (B)the Spirit of the Lord shall rest upon him,
    the Spirit of wisdom and understanding,
    the Spirit of counsel and might,
    the Spirit of knowledge and the fear of the Lord.
And his delight shall be in the fear of the Lord.
(C)He shall not judge by (D)what his eyes see,
    or decide disputes by (E)what his ears hear,
but (F)with righteousness he shall judge the poor,
    and decide with equity for the meek of the earth;
and he shall (G)strike the earth with the rod of his mouth,
    and (H)with the breath of his lips (I)he shall kill the wicked.
Righteousness shall be the belt of his waist,
    and (J)faithfulness the belt of his loins.

(K)The wolf shall dwell with the lamb,
    and the leopard shall lie down with the young goat,
and the calf and the lion and the fattened calf together;
    and a little child shall lead them.
The cow and the bear shall graze;
    their young shall lie down together;
    and the lion shall eat straw like the ox.
The nursing child shall play over the hole of the cobra,
    and the weaned child shall put his hand on the adder's den.
(L)They shall not hurt or destroy
    in all (M)my holy mountain;
(N)for the earth shall be full of the knowledge of the Lord
    as the waters cover the sea.

10 In that day (O)the root of (P)Jesse, who shall stand as (Q)a signal for the peoples—of him shall the nations inquire, and his resting place shall be glorious.

11 (R)In that day the Lord will extend his hand yet a second time to recover the remnant that remains of his people, (S)from Assyria, (T)from Egypt, from (U)Pathros, from (V)Cush,[a] from (W)Elam, from (X)Shinar, from (Y)Hamath, and from (Z)the coastlands of the sea.

12 He will raise (AA)a signal for the nations
    and will assemble (AB)the banished of Israel,
and gather the dispersed of Judah
    from the four corners of the earth.
13 (AC)The jealousy of Ephraim shall depart,
    and those who harass Judah shall be cut off;
Ephraim shall not be jealous of Judah,
    and Judah shall not harass Ephraim.
14 (AD)But they shall swoop down on the shoulder of the Philistines in the west,
    and together they shall plunder (AE)the people of the east.
They shall put out their hand (AF)against (AG)Edom and (AH)Moab,
    and (AI)the Ammonites shall obey them.
15 And the Lord will utterly destroy[b]
    (AJ)the tongue of the Sea of Egypt,
and will wave his hand over (AK)the River[c]
    with his scorching breath,[d]
and strike it into seven channels,
    and he will lead people across in sandals.
16 And there will be (AL)a highway from Assyria
    for the remnant that remains of his people,
(AM)as there was for Israel
    when they came up from the land of Egypt.

Footnotes

  1. Isaiah 11:11 Probably Nubia
  2. Isaiah 11:15 Hebrew devote to destruction
  3. Isaiah 11:15 That is, the Euphrates
  4. Isaiah 11:15 Or wind

The Branch From Jesse

11 A shoot(A) will come up from the stump(B) of Jesse;(C)
    from his roots a Branch(D) will bear fruit.(E)
The Spirit(F) of the Lord will rest on him—
    the Spirit of wisdom(G) and of understanding,
    the Spirit of counsel and of might,(H)
    the Spirit of the knowledge and fear of the Lord
and he will delight in the fear(I) of the Lord.

He will not judge by what he sees with his eyes,(J)
    or decide by what he hears with his ears;(K)
but with righteousness(L) he will judge the needy,(M)
    with justice(N) he will give decisions for the poor(O) of the earth.
He will strike(P) the earth with the rod of his mouth;(Q)
    with the breath(R) of his lips he will slay the wicked.(S)
Righteousness will be his belt(T)
    and faithfulness(U) the sash around his waist.(V)

The wolf will live with the lamb,(W)
    the leopard will lie down with the goat,
the calf and the lion and the yearling[a] together;
    and a little child will lead them.
The cow will feed with the bear,
    their young will lie down together,
    and the lion will eat straw like the ox.(X)
The infant(Y) will play near the cobra’s den,
    and the young child will put its hand into the viper’s(Z) nest.
They will neither harm nor destroy(AA)
    on all my holy mountain,(AB)
for the earth(AC) will be filled with the knowledge(AD) of the Lord
    as the waters cover the sea.

10 In that day(AE) the Root of Jesse(AF) will stand as a banner(AG) for the peoples; the nations(AH) will rally to him,(AI) and his resting place(AJ) will be glorious.(AK) 11 In that day(AL) the Lord will reach out his hand a second time to reclaim the surviving remnant(AM) of his people from Assyria,(AN) from Lower Egypt, from Upper Egypt,(AO) from Cush,[b](AP) from Elam,(AQ) from Babylonia,[c] from Hamath(AR) and from the islands(AS) of the Mediterranean.(AT)

12 He will raise a banner(AU) for the nations
    and gather(AV) the exiles of Israel;(AW)
he will assemble the scattered people(AX) of Judah
    from the four quarters of the earth.(AY)
13 Ephraim’s jealousy will vanish,
    and Judah’s enemies[d] will be destroyed;
Ephraim will not be jealous of Judah,
    nor Judah hostile toward Ephraim.(AZ)
14 They will swoop down on the slopes of Philistia(BA) to the west;
    together they will plunder the people to the east.(BB)
They will subdue Edom(BC) and Moab,(BD)
    and the Ammonites(BE) will be subject to them.(BF)
15 The Lord will dry up(BG)
    the gulf of the Egyptian sea;
with a scorching wind(BH) he will sweep his hand(BI)
    over the Euphrates River.(BJ)
He will break it up into seven streams
    so that anyone can cross over in sandals.(BK)
16 There will be a highway(BL) for the remnant(BM) of his people
    that is left from Assyria,(BN)
as there was for Israel
    when they came up from Egypt.(BO)

Footnotes

  1. Isaiah 11:6 Hebrew; Septuagint lion will feed
  2. Isaiah 11:11 That is, the upper Nile region
  3. Isaiah 11:11 Hebrew Shinar
  4. Isaiah 11:13 Or hostility